Interview met oud-directeur Marinemuseum Harry de Bles

Interview met KLTZSD b.d. Harry de Bles, oud-directeur van het Marinemuseum in Den Helder, op 26 april 2017 te Den Helder. Interviewer: Jurjen R. Leinenga, webredacteur Nederlandse Vereniging voor Zeegeschiedenis.

 

Leinenga: Meneer De Bles, u bent kapitein-luitenant ter zee voor speciale diensten…

Dhr. de Bles: … buiten dienst.

Leinenga: Inderdaad. Hartelijk dank voor dit interview. De aanleiding hiervoor is uw afscheid van het Marinemuseum. Dat willen we als Nederlandse Vereniging voor Zeegeschiedenis niet ongemerkt voorbij laten gaan. Volgens mij bent u zelf niet in Den Helder geboren. Kunt u iets over uzelf vertellen?

Dhr. de Bles: Sommige mensen horen bij mij een Haagse tongval en die zitten er niet ver naast. Ik ben een rasechte Scheveninger. Een paar jaar geleden opende ik nog de Scheveningse Dag bij het Museum Scheveningen en kreeg daarvoor als dank een kwartierstaat van mijn familie. Het was grappig om te zien hoe Schevenings ik wel niet ben. Mijn stamvader Pieter Janszoon de Bles verhuurde paarden aan vissers die hun vangsten naar de markt in Den Haag brachten en dat ging zo door tot ergens in de zeventiende eeuw. In die kwartierstaat zie je generaties voorouders die in Scheveningen zijn geboren en overleden, met bij de mannen beroepen als visser en bij de vrouwen kelkhandelaar of nettenboetster. Pas bij mijn ouders was er een breuk, want mijn moeder werd gewoon huisvrouw en mijn vader is na een paar jaar varen als vissersjongetje al snel naar de Grote Vaart gegaan.

Leinenga: Was er toen een dip in de Scheveningse visserij?

Dhr. de Bles: Nou nee, de Tweede Wereldoorlog had er mee te maken. Mijn vader was in 1939 naar zee gegaan en werd in 1940 onder de Verplichte Vaart gesteld.

Leinenga: Hij was dus de hele oorlog buitengaats.

Dhr. de Bles: Ja, hij heeft ruim zes jaren troepen en goederen voor de geallieerden vervoerd. Mijn moeder heeft koerierswerk gedaan, totdat dat door haar ouders verboden werd. Toen mijn vader na de oorlog terugkwam woonden ze in de Menninckstraat in het Geuzenkwartier naast elkaar. Zo hebben ze elkaar gevonden. In 1947 zijn ze getrouwd. Ik ben geboren in 1960, ben dus 57 jaar, en in 1962 kwam mijn zusje er nog bij. Wij waren de nakomertjes na een oudere zus en twee broers. Ik was de eerste van de familie die ging studeren, ik las veel boeken…

Leinenga: Wat voor boeken?

Dhr. de Bles: Van alles, ook Pietje Bell, maar op een gegeven ogenblik kwam ik bij Paddeltje en K. Norel terecht en toen kwamen op den duur de volwassener zeemansboeken om de hoek kijken. Op de middelbare school deed ik braaf mijn best en haalde mijn eindexamen in het daarvoor bedoelde aantal jaren. Maar wat wilde ik eigenlijk daarna doen? Schrijver leek me wel wat, nog liever journalist, en daarna wilde ik bij de diplomatieke dienst. Uiteindelijk kwam ik uit op geschiedenis. Daar kwamen heel veel lijnen samen: mijn honger naar talen, mijn interesse in geschiedenis, rechten, diverse godsdiensten. En zo begon ik aan de studie, zonder eraan te denken dat ik uiteindelijk in een museum terecht zou kunnen komen.

Leinenga: Dat was dus het eind van een heel traject. Maar had u misschien bijzondere interesse in bepaalde personen of periodes?

Dhr. de Bles: Als ik terugdenk, dan was ik altijd wel meer geïnteresseerd in persoonlijke geschiedenissen. Wat voor ontwikkeling maakten historische personen door, hoe hielden ze zich in hun tijd overeind en wat maakten ze mee?

Leinenga: Maar daarbij misschien toch een voorkeur voor een bepaalde tijd?

Dhr. de Bles: Ik wil dan de Nieuwe en Vaderlandse Geschiedenis noemen.

Leinenga: Leiden is natuurlijk niet ver van Scheveningen, lag studeren daar daarom voor de hand?

Dhr. de Bles: Nee, ik kende het universitaire wereldje nog niet. Eigenlijk zei ik de eerste dag: “Goh, dat kan ik fietsen.” En dat heb ik het eerste jaar ook gedaan. Elke dag vanuit Scheveningen over de Wassenaarseweg naar Leiden en na de colleges weer terug. Ik heb bij de keuze voor Leiden niet gekeken naar het uitgaansleven of professoren in andere universiteitssteden.

Leinenga: Hoe is eigenlijk de weg naar zeegeschiedenis gelopen?

Dhr. de Bles: Dat is eigenlijk nogal toevallig gegaan. Op een gegeven moment moest ik keuzevakken kiezen…

Leinenga: In welk jaar was dat?

Dhr. de Bles: In 1978 ben ik begonnen met studeren.

Leinenga: Maar vóór het kandidaats?

Dhr. de Bles: Ja. Ik weet dat ik toen een aantal hoorcolleges van Jaap Bruijn had gevolgd. Ik moest kiezen welk werkcollege ik na het kandidaats wilde volgen. Samen met Els van Eijck – met wie ik op een van de introductiedagen kennis had gemaakt – gaf Jaap het college “Wijfje lief”, over brieven van een zeventiende eeuwse kapitein die onder Michiel de Ruyter had gediend. Daar heb ik bewust voor gekozen, ik had er een klik mee.

Leinenga: Ik kan me voorstellen dat je bij een studie als zeegeschiedenis een voordeel hebt als je uit Scheveningse familie komt met een duidelijke varende achtergrond.

Dhr. de Bles: Waar ik dat heb gemerkt was toen ik museumdirecteur was geworden. Toen had ik profijt van mijn nautische ervaring. Ik ben in mijn diensttijd namelijk een half jaar aan het KIM opgeleid, met vakken als zeemanschap en navigatie. Ik heb vervolgens zelf een jaar gevaren als wachtofficier en die ervaring is me in het museum heel goed van pas gekomen. Ook in contacten met vrijwilligers met een marine-achtergrond. We waren uit hetzelfde hout gesneden. Ook bij het uitleggen van dingen aan het publiek kwam de praktijkervaring goed van pas.

Leinenga: Maar ik wil nog even terug naar uw studententijd. Die moet erg boeiend geweest zijn, want ik las ergens dat professor Bruijn u gepord heeft om een scriptie af te maken. Daar zit vast een verhaal achter.

Dhr. de Bles: Ik deed de eerste jaren aan wedstrijdroeien en daarna ging ik ploegen coachen. Ik was erg geïnteresseerd in een zekere eerstejaarsdamesploeg en daar zat mijn latere echtgenote Margriet in. Inmiddels zijn we 37 jaar samen. En op een gegeven moment ben ik gaan duiken bij de Leidse Studenten Duikvereniging. Jaap Bruijn, die me porde, had me ook gevraagd of ik met Peter Diebels interesse had om voor een Australische schatduiker in de VOC-archieven te “duiken”. Daar hadden we niet alleen een leuk vakantiebaantje aan dat een leuke vergoeding opleverde, maar op basis van onze gegevens werden daadwerkelijk wrakken gevonden, niet alleen van VOC-schepen maar ook van Chinese jonken, volgeladen met porselein. Plotseling kwamen we in de wereld van veilingen terecht en konden we thuis een kast met porselein uit de Ming-tijd vullen. Op een gegeven moment, volgens mij waren we toen nog in de VOC-archieven naar wrakken aan het zoeken, zei Jaap Bruijn toen dat ik ook wel eens vaart mocht maken met mijn doctoraalscriptie. Een terechte vingerwijzing! Dat heb ik toen ook gedaan en daarna ging het ook vlot.

Leinenga: In 1985 bent u afgestudeerd. Lag uw overgang naar de marine toen voor de hand?

Dhr. de Bles: Toen we mijn scriptie voor het werkcollege “Wijfje lief” bespraken, vroegen Jaap en Els me of ik al in militaire dienst was geweest. Zou ik interesse hebben in de marine en in een baan als museumdirecteur en marinehistoricus? Want de toenmalige historicus zou op termijn vertrekken en er werd een opvolger gezocht. Die zou wel eerst zijn dienstplicht bij de marine moeten vervullen. Waarom niet? Van het een kwam het ander. Die scriptie ging trouwens over Eland du Bois, naar aanleiding van het genoemde werkcollege. Mijn doctoraalscriptie ging over de maritieme verdediging van Nederlands Indië, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. En daarna lag op een gegeven ogenblik de oproep om op te komen in werkelijke dienst op de deurmat. Ik meldde me in Amsterdam, kreeg een treinkaartje enkele reis naar Den Helder en zo begon mijn diensttijd in augustus 1985, samen met nog 14 anderen die in 1986 officier speciale diensten zouden worden. Een half jaar lang moest ik me bekwamen in eerste militaire vorming, zeemanschap en navigatie. Zeven jongens die van de universiteit kwamen en acht van de middelbare school. Ik was de nestor van de klas en, zoals bekend, was onze huidige koning Willem Alexander de “Benjamin” van onze klas.

Leinenga: Was dat voordat onze koning naar de kostschool in Wales ging?

Dhr. de Bles: Daarna, want hij had daar zijn eindexamen gedaan. In december 1985 ben ik met de meeste klasgenoten een maand naar Oostende gegaan, om opgeleid te worden tot officier op een mijnenjager. In januari 1987 stapte ik aan boord van Hr.Ms. Harlingen. Later heb ik nog een half jaar als wachtofficier gevaren op het luchtverdedigingfregat Jacob van Heemskerk. De marineleiding vond dat die De Bles ook de grote vloot gezien moest hebben.

Leinenga: Hoe lang was dan het verblijf op die mijnenjager?

Dhr. de Bles: Van januari tot juli heb ik op de Harlingen gediend. Dat waren de plastic schepen, ook wel Tupperware – vloot genoemd, van de Alkmaarklasse.

Leinenga: En op het fregat?

Dhr. de Bles: Van augustus tot december.

Leinenga: Waren er ook verschillende vaargebieden? Ik neem aan dat de Harlingen op de Noordzee voer.

Dhr. de Bles: Ik heb met de mijnenjager geluk gehad en veel leuke trips gemaakt, o.a. naar de Golf van Biskaje en naar Wales. Een heel leuk team, dat ik in gang heb gezet om te trainen voor de Nijmeegse Vierdaagse. Het lopen daarvan was mijn afsluiting van de tijd op de Harlingen, een superleuke ervaring. Ook met het fregat was ik steeds op zee, ingedeeld bij de Standing Naval Force Atlantic. Ik heb toen echt kennis gemaakt met de Koude Oorlog. Bij oefeningen voeren Oost-Duitse en Poolse marineschepen met zoeklichten in volle vaart op ons af, om onze oefening te verstoren. Zulke ervaringen heb ik als rondleider in het Marinemuseum kunnen delen.

Leinenga: Ik kan me heel goed voorstellen dat de marineleiding u zowel op kleine als grote marineschepen wilde laten dienen, die hebben heel verschillende “culturen”. Wat het Marinemuseum betreft, was het vanaf het begin de bedoeling dat u de directeur daarvan op zou volgen?

Dhr. de Bles: Ja, anders was ik bij de Landmacht terecht gekomen.

Leinenga: Was die directeur ook iemand die in Leiden had gestudeerd?

Dhr. de Bles: Ja. Mijn rechtstreekse voorganger was Flip (Philippus Meesse) Bosscher. Die begon na zijn studietijd bij het bureau voor maritieme historie van de Marinestaf  en was van 1965 tot 1972 vrijgesteld om een boek over de geschiedenis van de Koninklijke Marine tijdens de Tweede Wereldoorlog te gaan schrijven. Er is toen een officier tijdelijk aangesteld als directeur van het Marinemuseum,  Willem Canisius, en toen die met leeftijdsontslag ging is Flip teruggekomen tot ik er klaar voor was.

Leinenga: Over het Marinemuseum zou ik het nu graag willen hebben. U bent er dertig jaar de directeur van geweest.

Dhr. de Bles: Dertig min drie, want de eerste jaren was ik er conservator.

Leinenga: In februari van dit jaar hebt u officieel afscheid van het Marinemuseum genomen. Daarbij ontving u op 16 februari de Erepenning van de stad Den Helder en de Prins Hendrik Penning van de Koninklijke Marine. Op sommige websites stond daarover zelfs “Het einde van een tijdperk” als titel van een artikel. Alle reden om het nu eens uitgebreid over dat museum te hebben. Voor de beeldvorming van de Marine onder het grote publiek heeft het Marinemuseum een belangrijke functie. Is dat beeld in uw tijd veranderd?

Dhr. de Bles: Intuïtief zeg ik van wel. Er is onderzoek naar gedaan door Defensie Communicatie en Marine Communicatie. Er is een stijgende lijn waar te nemen als het over positieve beeldvorming van de Marine gaat. Vraag de gemiddelde Nederlander naar het mooiste krijgsmachtonderdeel, dan zullen de meesten de Marine noemen vanwege de gouden knopen en gouden galons, en daar hoort het Korps Mariniers natuurlijk ook bij. Duidelijk zichtbaar op bv. Prinsjesdag. Dat is één aspect.  Een ander aspect is wat de Koninklijke Marine doet binnen de krijgsmacht, waarin is ze succesvol? In de afgelopen jaren is de waardering voor de krijgsmacht sowieso gestegen, niet in het minst door de inzet om in de wereld vrede te bevorderen en veiligheid te vergroten en ook de marine heeft daarin haar bijdrage geleverd, onder andere door de anti-piraterijmissies. Bij oefeningen is er geen journalist aanwezig, maar bij de Vlootdagen gooit de marine de poort wel open.

Ik heb op een gegeven ogenblik het initiatief genomen om die anti-piraterijmissies bij het grote publiek te brengen en heb contact opgenomen met het eerste schip dat op missie was gestuurd, waarvan ik had gelezen dat het spullen in beslag had genomen. Ik heb toen een mailtje gestuurd: “Kun je wat vasthouden voor mij?” “Nee, we moeten het vernietigen.” Een en ander in beweging gezet, vanuit Den Haag, om goedkeuring te krijgen voor het vasthouden van in beslag genomen goederen. Dat had grote gevolgen, want elke commandant die op missie werd gestuurd had het idee dat hij met een boodschappenlijstje van De Bles werd weggestuurd, zoveel wapens, zoveel sloepen, zoveel uitrustingsstukken…

Leinenga: Wat voor topstukken zijn daaruit voortgekomen?

Dhr. de Bles: “Topstukken” wil ik het niet noemen. De tentoonstelling is kort geleden afgebroken, maar heeft de bezoekers jarenlang een beeld gegeven hoe de piraterij georganiseerd was, hoe de jacht erop was georganiseerd en welke impact het op de slachtoffers had. En daar horen ook de inwoners van Somalië bij. Daar leefden vissers die in een lastig parket terecht kwamen, waar kleine criminelen garen bij sponnen, waar grote criminelen bij betrokken raakten , zodat er op den duur een hele criminaliteitspiramide tot stand kwam. Dàt hebben we in beeld gebracht, maar ook de skiffs waarmee grote transportschepen werden aangevallen. Die lieten we zien met alles wat daarbij aan boord in beslag was genomen. Zelfs de wikkels van rantsoenen en bouillonblokjes, de jerrycans voor water, de aanvalsladders van aan elkaar gelaste buizen, de enterhaken gemaakt van betondraad, de ton waarin gekookt werd… Zo werd het inzichtelijk gemaakt.

Leinenga: Ik ben benieuwd naar het acquisitiebeleid. Joost Schokkenbroek, conservator van het Scheepvaartmuseum in Amsterdam, zei in een eerdere blog dat alle maritieme musea moeten nadenken over wat past bij het verhaal dat een museum wil vertellen, voor er iets wordt aangeschaft. Onderling contact tussen de musea ligt dan voor de hand, maar de Marine is dan vast een vreemde eend in de bijt…

Dhr. de Bles: Ik heb me de laatste jaren niet met acquisitie beziggehouden. Ik had wel de laatste stem, maar twee conservatoren die dat prima aankonden deden het eigenlijke werk. Schenkingen kun je niet bepalen. Je kunt wel contact onderhouden met het krijgsbedrijf dat we zijn en op een gegeven moment worden bepaalde objecten afgestoten. Daarvoor moet je op je qui vive zijn. Je kunt niet alles bewaren natuurlijk, maar collectiewaardig zijn bijvoorbeeld bijzondere onderscheidingstekens of uitrustingsstukken. Dan wil je als Marinemuseum twee setjes daarvan voor de collectie, en als ze een klein patrouillebootje niet meer willen, een kleine, dan vond ik dat wel leuk om in de collectie op te nemen. Verder is er museummateriaal in de conservatieve zin van het woord. Bij de vraag “Een uitrustingsstuk of een schilderij of scheepsmodel?” spelen twee dingen: is het uniek of een topstuk? Soms komt er bericht uit het netwerk dat er een bijzonder stuk op de markt komt, bijvoorbeeld vanuit de kunsthandel. Soms wordt het eerst aan ons aangeboden en dan gaan we kijken of er budget voor is.

Leinenga: Is daar nog supervisie op?

Dhr. de Bles: We hadden een overleg, daarin zaten het hoofd publieke presentatie, conservatoren en de directeur. Daar bespraken we het aanbod en natuurlijk welk verhaal we wilden vertellen. Ook het Marinemuseum heeft collectiebeleid en daarin staat dat we aandacht hebben voor hiaten en vooral geïnteresseerd zijn in persoonlijke stukken. Er was geen commissie van toezicht die zich daarmee bemoeide, dat werd aan ons overgelaten.

Leinenga: Was er ook een groep die besliste over het afstoten van objecten?

Dhr. de Bles: Ja, hoewel we geen grote afstotingsoperaties hebben.

Leinenga: Toen het Defensiemuseum van de grond kwam was ik erg bang dat objecten op de schroothoop terecht zouden komen. Ik heb begrepen dat dat erg is meegevallen. Maar wie bepaalt wat bewaard wordt en welk verhaal moet worden verteld?

Dhr. de Bles: Er is nu een Stichting Defensiemusea gekomen. Die heeft een meerjarige beleidsvisie neergezet en een collectieplan gemaakt, inmiddels vastgesteld door de Raad van Toezicht. Er is nu dus een omarmd collectiebeleid, met daarin de grote lijnen waarbinnen de conservatoren opereren.

Leinenga: Hebben marinemensen daar een stem in? Kunnen zij aangeven wat ze belangrijk vinden voor een bepaalde periode?

Dhr. de Bles: Goede conservatoren stellen zich wel op de hoogte van wat voor belang zou kunnen zijn, met experts. Maar marinemensen zijn formeel niet meer betrokken bij het Marinemuseum. Je moet niet een paar duizend marinemensen laten bepalen wat belangrijk is, dan worden jagers en fregatten genoemd. In de afgelopen dertig jaren dat ik directeur was heb ik herhaaldelijk oud-marinemensen op de stoep gehad die vroegen “Waarom laat je dàt niet zien? Dat moet in de vaste presentatie komen.” Maar we kunnen niet alles bewaren en we kunnen niet alles laten zien.

Leinenga: Dat begrijpt toch iedereen?

Dhr. de Bles: En daarbij speelt ook nog, wat vraagt ons publiek? Dat is ook veranderd. Het vond het vroeger fantastisch om naar een wand vol schilderijen en een vitrine met scheepsmodellen te kijken, maar tegenwoordig komt een gezin naar binnen om de marine te “beleven”. En dan zeggen we als museum: de ruggegraat van die beleving moet wel onze collectie zijn. Unieke stukken kunnen we bewaren in depot, maar soms moeten we zeggen “Tot hier en niet verder.” We hebben geen museumhaven en met schepen praat je over hele grote objecten. Ik denk dat het Marinemuseum met de huidige opstelling een hele goede mix en een evenwichtig beeld van de Marine door de jaren heen biedt. Het is een operationeel krijgsmachtdeel, we zijn geen kunstmuseum. Gisteren is er geschiedenis geschreven, morgen gebeurt dat opnieuw en daarbij moeten we als defensiemusea in kunnen blijven spelen op actualiteit. Als er iets actueels gebeurt, moet je meteen iets nieuws kunnen laten zien. Terwijl de anti-piraterijmissie nog bezig was, lieten wij de “gisteren” in beslag genomen skiffs en wapens zien.

Leinenga: Musea hebben behoefte aan een grote toestroom van bezoekers. Met bijvoorbeeld de “Professor Plons” aanpak (van het Maritiem Museum Rotterdam) proberen ze dat voor elkaar te krijgen. Maar ze hebben ook een wetenschappelijke functie. Wat kan het Marinemuseum wetenschappers bieden, naast het NIMH waar men voor documenten etc. terecht kan?

Dhr. de Bles: Musea ontlenen hun kracht aan integriteit en authenticiteit. Ze moeten het hebben over de waarheid, maar het publiek heeft de beleving onder de aandacht gebracht. Een goed museum mag niet inleveren op waarheid, op waarheidsvinding, op wetenschappelijke onderbouwing van een tentoonstelling. Maar het risico is er wel.

Leinenga: Ik denk dat je moet zoeken naar de juiste balans.

Dhr. de Bles: Ik ben die mening toegedaan en mijn team ook. Er wordt nu een tentoonstelling Zeeslag opgebouwd, waarbij de aandacht gevestigd wordt op de Tocht naar Chatham en de Slag in de Javazee, en daarbij kun je geen concessies doen aan de waarheid en integriteit. Het is niet goed om twee verzonnen figuren te bedenken om daar de Slag aan de Javazee op te hangen. Er is gedegen wetenschappelijk onderzoek aan vooraf gegaan door Leon Homburg, Graddy Boven en Annette de Wit. De personages zijn ontleend aan wetenschappelijk onderzoek en zo hoort het ook te gaan. Maar je stelt de vraag “Wat kunnen wetenschappers aan het museum hebben?” Afhankelijk van de grootte van je museum kun je kiezen voor een wetenschappelijke taak. Het Marinemuseum heeft die omvang niet, wat niet wegneemt dat de conservatoren zich wetenschappelijk moeten opstellen voor het vertellen van een goed verhaal aan de bezoekers. We willen niet alleen een geschreven verhaal, maar ook een aanschouwelijk verhaal. Afhankelijk van de capaciteit van het museum is de collectie geheel of gedeeltelijk toegankelijk. Van de collectie van het Marinemuseum is zo’n 10 tot 15 % opgenomen in de presentatie, de rest bevindt zich in depot. Maar er is in mijn tijd absoluut een grote ontwikkeling geweest. Eerst was het een klein museumpje dat men aardig vond voor als men moest wachten op de veerboot naar Texel of voor als de helikopter voor gasten van de admiraal op zich liet wachten. Leuk voor een half uurtje. Dat is totaal veranderd. We hebben nu een museumcomplex waar je een dag kunt doorbrengen met volwaardige arbeidsplaatsen voor mensen met verschillende achtergronden en kwaliteiten.

Leinenga: Laten we het tenslotte nog over de Nederlandse Vereniging voor Zeegeschiedenis hebben. Tot 2008 bent u daarvan voorzitter geweest.

Dhr. de Bles: Twee termijnen, ik geloof 6 of 7 jaar.

Leinenga: We hebben het gehad over het publieksbeeld van de Marine. Heeft de vereniging daar een rol in gespeeld? Verschillende marinemensen zijn lid en er is zelfs een prijs naar een oud-marineman vernoemd (de Warnsinck Prijs).

Dhr. de Bles: Ik denk in kleine kring, daar moeten we eerlijk over zijn. De vereniging heeft een paar honderd leden, maar geen landelijk bereik. Dus in hoeverre kun je dan praten over een algemeen beeld van de Marine bij het Nederlandse publiek, waar de vereniging aan bijgedragen zou hebben? Het is wel zo dat de aanwezigheid van marinemensen in het ledenbestand ertoe heeft geleid dat deuren opengingen die anders gesloten zouden zijn gebleven. We hebben uitjes gehad naar marineonderdelen die niet mogelijk waren geweest als marinemensen geen deel van de vereniging hadden uitgemaakt. Zo is er wel begrip gekweekt voor Defensie in het algemeen en voor de Marine in het bijzonder bij mensen die er eerst toch een heel andere mening over hadden. Ik praat dan nog niet over het grote, algemene publiek. Ook het Tijdschrift voor Zeegeschiedenis speelt een rol. Er komen marineonderwerpen in aan bod en het heeft een groter bereik dan alleen de leden. Meer kan ik daar eerlijk gezegd niet over vertellen.

Leinenga: Dan sluiten we dat onderwerp hiermee af. Heeft u als oud-voorzitter nog een toekomstwens voor de vereniging?

Dhr. de Bles: Ik denk dat het heel belangrijk is dat de vereniging deelneemt aan het Maritiem Portal. We hebben een aanloop gehad en twee symposia, daar zag ik ook vertegenwoordigers van Zeegeschiedenis. Ik denk dat het heel belangrijk is om bij het Portal aan te haken, omdat je zo een groter bereik voor de vereniging krijgt. Het maakt de Vereniging voor Zeegeschiedenis bekend en geeft haar de gelegenheid om invloed uit te oefenen.

Leinenga: Hartelijk dank voor dit gesprek.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Blog. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s